Archief

  

Vadertrots

                                                   (Voor Joost)

 

Ik geef weinig om sport. Toch

sta ik menig zaterdagmiddag langs de lijn

als hij, stoer, zijn domein

verdedigt als een leeuw,

de ballen ranselt uit het doel

met voet, stick, lijf, hand, hoofd.

 

Ik dacht altijd: kinderen zijn

handenbinders, geldverslinders.

Maar welk ander doel om geld, om tijd van leven

aan te geven is denkbaar

dan mijn jongen, dan die hockeyheld?

 

Hij loopt van het veld

bevrijdt het blonde haar van helm

grijnslacht zijn beugel bloot.

We wisselen rituele woorden uit:

Ouwe. Jochie. Ik zeg:

Goed gekeept. En dat

zal niemand tegenspreken.

 

  

Twee Heren Gaan Uit In Utrecht

                                             (voor Iain)

Twee oude vrienden,

de ene rond en kaal,

de andere lang en grijs

maken hun gebruikelijke ronde.

 

Op een paar biertjes bij Oudaen

een Picpoul bij de vis

een laatste bier in de bar van het hotel

(om het af te leren)

dobberen voorbij

 

echtgenotes, zonen, kleinkinderen, gezondheid, werk,

de toestand in de wereld: bombardementen, de doden, het klimaat.

 

De een betaalt de rekening en gaat

de trap op, de ander

fietst onvast het duister in.

 

De straat is nat.

 

Nog voor hun hoofd het kussen voelt

hebben wijn, bier en regen

alles weggespoeld.



Kleine burgemeester,

 

visser uit het hoge noorden,

leeft een winter lang

van genadebrood

in de Amsterdamse Kattensloot.

 

Op doorschijnend-witte wieken

maakt hij dagelijks zijn ronde

door de stad, die hem voedt

met de resten van de overvloed –

 

visafval, brood, patat.

Vogels kennen geen grenzen:

ze vliegen gewoon hun eten achterna.

Ubi bene, ibi patria.



Oud-Hoogleraar

 

Opeens staan we oog in oog. In één seconde

zet hij mij 35 jaar terug in de tijd – komt het beeld,

diep in mijn hersenen gebrand, tot leven.

Ik sta te beven op mijn benen.

 

Zijn zwarte manen zijn wit of al verdwenen,

net als zijn embonpoint, maar gebleven zijn de bonhomie,

de ogen, even helder en doordringend als weleer, 

het brein nog even scherp, even krachtig nog de stem

die iedereen tot luisteren dwong, die dwars

door deuren, vloeren, muren mijn zolderkamer binnendrong

als hij op de begane grond stond te oreren.

Hoogstens (zie ik enigszins verbaasd) hebben de jaren

zijn gang vertraagd, zijn passen strammer gemaakt.

 

De tijd heeft enig sloperswerk verricht,

maar hij en ik – wij zijn echtgenoten, vaders,

en stribbelen manmoedig tegen.



Polidoro da Laciano: Christus en de overspelige vrouw

 

Wie ben jij, jochie, en wat doe jij hier,

met je vreemde pakkie aan? Wrong place, wrong time…

Je trekt je niets aan van de mannen, de verhitte woorden,

de vrouw met haar ene borst bloot,

je kijkt er niet eens naar,

je staat aan de rand en staart bewegingsloos en onbewogen

naar iemand links achter mij…

 

Straks, als we koffie hebben gedronken

en weer langs lopen ben je er niet meer,

is er alleen een witte vlek in de linkerbenedenhoek

 

Misschien heb je je verstopt in een ander doek

tussen herders en engelen of

achter de mantel van Sint Nicolaas,

of gluur je door een raam de stal binnen,

staan wij opeens weer

 

oog in oog



Begrafenis

 

Op gezegende leeftijd vredig

ontslapen

 

Zegt de dominee tot ons ellendigen:

de dood is hier alom aanwezig

als een loden last

 

Veel later staan wij zwijgend in een kring

rond de familie rond het graf

 

Een dochter had herinneringen opgehaald

een andere had Bach gezongen met warme, stralende stem

een afscheidslied

 

De weduwe staat moedig bij de kuil, kaarsrecht

kleinkind gooit een schepje zand op de kist

zich ver vooroverbuigend kijkt hij verbaasd de diepte in

terwijl zijn vader zorgzaam

zijn handje pakt

een vrouw en een man staan er alleen maar,

armen stevig om elkaar

 

Het moge stormen in ons hart,

hier is het windstil, een mild zonnetje

schijnt door de oude bomen

een troep ganzen komt roepend over

 

Al staan wij tussen de stenen

alom aanwezig is hier niet de dood

maar de liefde.



Kuifleeuwerik

 

Ooit liepen ze ons voor de voeten,

maar onze onstuitbare drang

tot orde en doelmatigheid heeft hen verdreven.

Ik hoorde de laatste zingen in Den Bosch

kuifleeuwerikenzwanenzang.

 

Nu zit er eentje op een veldje

naast het station van een provinciestad

bij een bankje en een afvalbak

onverstoorbaar onzichtbare zaadjes op te pikken.

't Is of ik onverwachts een vriend tegen het lijf loop

die ik sinds lang uit het oog verloren was.

Kuifje in Apeldoorn.



Flamingo's

 

Ik was hier al eerder, in dit wijdse, oer-Hollandse

landschap van een smalle dijk, oud riet,

kleine huisjes, eenden, een bruine kiek,

wolkenluchten als van meesters uit onze versmade

gouden eeuw en in 't verschiet die stad van overvolle

straten, de wallen, kaaswinkels en coffeeshops.

 

Alles is zoals het was. En nu is daar ineens

die zevenkoppige Spaanse familie,

vijf volwassenen, in chic wit, rood en roze,

en twee bleke pubers, die traag en statig waden,

koppen onder water, in volmaakte rust, zich onbewust

van het volk met kijkers, camera's en telescopen,

zich verdringend op een snipper strand

in de wijde kring van riet.




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

Herdenken

 

Ik moest laatst denken (ik weet niet

waarom) aan een tekening die ik maakte

van mijn ouders lezend in de voorkamer.

Ik wist dat de tekening in een doos

op zolder lag, ik wist zelfs welke –

maar al spitte ik die doos twee keer volledig door,

ik kon hem tot mijn ergernis niet vinden.

 

De derde keer heb ik hem toch gevonden,

verborgen onder de omslag van een boek.

Ze zijn tussen de planten haast verdronken.

 

Laat dit zoeken mijn herdenken zijn.

                                                  

 

(1) De stoel

 

Ooit zat hij in deze stoel.

Boek op zijn schoot; beneden

weet hij vrouw en kind.

Nu zit ik in het versleten leer.

Ik heb in de loop der jaren

de ruimte naar mijn hand gezet

zonder enig plan of doel.

Wat papieren weg, een boek van mij

voor een boek van hem, een andere tafel,

een pc en aan de wand

de tekeningen voor vaderdag

die hij nooit kreeg. Maar de stoel bleef,

die, naast vrouw en kind,

ons bindt.

 

(2) Het huis

 

Ooit woonde hij hier in dit huis:

de vader van mijn zoon.

Hier werkte, at, beminde, sliep hij; liep hij

door de tuin, het kind op zijn nek,

zat hij te lezen, het kind op schoot.

Nu is dit huis mijn woon. Ik werk er, eet er,

slaap er, min er dezelfde vrouw als hij.

Het kind is groot, het woont al niet meer thuis.

Voorganger, wees gerust,

het gaat hem, het gaat ons goed.

Goddank gaat het leven altijd door,

dit huis heeft jou overleefd, straks

overleeft het mij. Dan staan wij,

horizontaal, weer op gelijke voet.

 


IJdoorn

 

Hollandser kan niet: een eindeloze dijk

met 17e-eeuwse houten huisjes. Voorbij

het laatste dorp de plasdras. Riet, water.

Aan de einder de skyline van Amsterdam.

Steltlopers in alle maten pikken driftig

in het slik. De eenden slapen, als altijd.

Een zwaluw schiet door het beeld,

een kiekendief hangt stil in de wind.

Een wolkenlucht als op een oud-Hollands schilderij.

En ik denk aan de Joodse lenzenslijper

die in die stad over het IJ geboren is en schreef:

Uit de noodzaak van de goddelijke natuur

moet oneindig veel op oneindig veel

manieren voortvloeien...



"Life is too short for that" (E.M.)

 

Je wilt altijd wel de zon zien schijnen, altijd

de lucht blauw en wolkenloos. Toch zijn er dagen,

dan is alles grauw, en je kunt er niets aan doen.

 

"Life is too short for that", zei iemand op tv.

Hij heeft gelijk. Maar ach, een zoen

van je vrouw, een mooie redding van je zoon,

de eerste nachtegaal van het jaar,

een onverwacht geluksgevoel, je zomaar

onverdiend gegeven, en alles breekt open, licht

als een veertje word je opgetild.

                                                         Voor even.



Bestemming

 

Wij gaan grillige wegen

gestuurd door een onzichtbaar mechaniek

dat zelf door niets of niemand wordt gestuurd

 

alsof we in kermiswagentjes zitten

die rondrijden op rails, soms rechtuit, dan weer plotseling

zwenkend

 

Ooit, jaren geleden alweer

kwamen onze banen samen

 

alsof jij mijn ik jouw

bestemming was.

 

Ik sprong



Parijs, juni 2015

 

We daalden af ter helle.

Een dag later stegen we per lift

alweer ten hemel.

Of nam ik hem mee naar boven

om hem de wereld te tonen

die aan zijn voeten ligt?

 

We zaten aan een maal

van brood, bier en salades.

Ik heb het meest gekregen, zei hij.

Maar hij heeft geen idee.

Nog niet.



Brexit in a nutshell


Op de avond na de stemming stonden zij

tot hun verrassing aan weerszijden van een kloof:

zij had vóór gestemd, hij tegen.

Ze hebben er sindsdien over gezwegen.


 

Lente

           de generaties wisselen in korte tijd

           en geven in estafette de levensfakkel door.

                         (Lucretius, De natuur van de dingen, II, 78-79)

 

Een milde zuidenwind blaast ze massaal

het land in: zwartkop, grasmus, gele kwik,

fluiter, snor, de eerste nachtegaal.

Aan dit betoverende ogenblik

meet ik al ruim tien jaar de jaren af,

en 'k blijf dat doen tot aan het graf.

En bezorgt ten slotte broeder dood

bij mij zijn onvermijdelijk exploot,

dan ben ik dankbaar gast te zijn geweest

op dit eeuwig zich herhalend feest.

Dan zal ik het stokje overgeven

zonder morren, want een leven

is een zucht, een stofje, één atoom.

Wat telt is niet de druppel, maar de stroom.



Temmincks strandlopers

 

Ik mijd de stad, ben niet op mijn gemak in winkels

waar mensen obstakels zijn om te ontwijken.

Ik beleef de wereld op het scherm. Mijn frisse neus

haal ik waar zich maar weinigen vertonen.

In mijn gedichten wonen nog slechts dieren,

alsof ik leef in het aards paradijs, goddank

samen met de enige die ik nabij mag komen.

 

In de polder zie ik na dagen zoeken eindelijk

de Temmincks strandlopers: vijf in één kijkerbeeld.

Een golf van opluchting stroomt door mijn lijf.

Ik draai me om: een picknicktafel,

een informatiebord, een rijtje bomen.

Iemand komt van ver mijn kant op lopen.

Geduldig wacht ik tot ik mijn geluk kan delen.

 

 

 

 

 

 

 

© Copyright 2016 Hans Peterse.